Herman de Vries, Biënnale van Venetië, een gesprek

juni 10, 2015 § Een reactie plaatsen

foto Sandra Smallenburg

foto Sandra Smallenburg

Herman de Vries betreedt aan de arm van zijn assistente van de boot het verlaten eilandje Lazzaretto Vecchio op een steenworp afstand van het Lido. Het zwarte, dikke hondje van de beheerder springt enthousiast tegen de kunstenaar op. Alle journalisten in het kielzog van de kunstenaar staan geduldig toe te kijken hoe hij het hondje aanhaalt. Dan doet de kunstenaar een blije rondedans en dwaalt het gezelschap achter hem aan over het eiland vol half gerestaureerde, ruïneuze gebouwtjes. De Vries heeft er her en der kleine plaquettes opgehangen, met cryptische teksten als death was here, en this op de muur van een van de vele gebouwtjes. De geschiedenis is alomtegenwoordig: er werden pestlijders in quarantaine gehouden, er was ooit een hondenasiel in gevestigd. Nu zijn de ruïneuze gebouwtjes onder de hoede van een archeologische organisatie zonder geld. Langzaam maar zeker vervallen ze weer aan de natuur.

Een fascinerend proces, vindt de kunstenaar. Als de mens terugtreedt, neemt de natuur het weer over, om alle restanten van het menselijk handelen te incorporeren. Hij hoopt dat tenminste één van die gebouwtjes blijvend als sanctuarium zal dienen waar de natuur vrij spel zal houden. Een van zijn plaquettes hangt er, met in gouden letters: natura mater. Gouden woorden, zonder hoofdletter. Die gebruikt de kunstenaar nooit, ook niet in zijn eigen naam, om elke hierarchie te vermijden. Maar goud gebruikt hij wel, om de aandacht te vragen, om je te vragen bewust te zijn van je omgeving. We zijn op een wankele platbodem naar het eilandje toe gevaren, dat normaliter dicht is voor publiek, maar gedurende de biënnale voor twintig mensen per dag toegankelijk, en dat als een enorm object trouvé hoort bij zijn tentoonstelling ‘to be all ways to be’ in het Nederlandse Rietveldpaviljoen in de Giardini. De Vries leidt ons rond, af en toe spreekt hij met zachte, sonore stem: “This is it. En dat is alles wat ik erover wil zeggen.” Om vervolgens toch weer uit te wijden. Af en toe gaat hij even zitten op het klapstoeltje, dat de curatoren Cees de Boer en Colin Huizing beurtelings meedragen.

Foto Sandra Smallenburg

Foto Sandra Smallenburg

Een dag eerder legde Herman de Vries ( 1931, Alkmaar) de laatste hand aan woorden in houtskool op de muur met een ijlzwarte handafdruk als slot. We zitten buiten in de zon voor het Nederlandse paviljoen. De Vries’ volle baard omkranst zijn ogen. Ze zien een beetje rood, achter een grote bril. Zijn stem klinkt traag en zalvend: “ de laatste tijd was het zwaar, ik had een aantal operaties, ik had een kleine hersenbloeding. Maar ik ben altijd volkomen geëngageerd, wat interviews betreft.” En hij gaat er eens goed voor zitten. Het zwaartepunt van de voorbereidingen lag in oktober. Toen voer de kunstenaar gedurende tien dagen met zijn curatoren door de lagune, toevallige vondsten verzamelend, van algen tot stukjes Byzantijns aardewerk, zelfs een vishaakje verstrikt geraakt in een halfverteerd condoom. Al die spullen werden opgeslagen in de woonboot die fungeerde als centrum. En de vries verwerkte ze in een journal, een keurig gerangschikt herbarium vol planten, gedroogde algen maar ook stukjes glas uit Murano en een keurig gesorteerde hoeveelheid geitenkeutels. Ze hangen in de zaal, waar een serene rust heerst. Het zonlicht heeft er vrij spel en kiest in de loop van de tijd telkens een ander werk om uit te lichten. Er hangen zijn Rasierstücke, halmen gras die hij uit hun grasland in Eischenau, Duitsland, waar hij sinds 1970 woont, wegsneed en achter glas hing. Het zijn gedroogde, grillige stillevens, zo uit de realiteit geplukt. De vries probeerde de werkelijkheid zijn werk binnen te halen. Dat ging het best, concludeerde hij in de jaren zeventig, door vondsten letterlijk uit de natuur te halen.

Een muur hangt vol met ingelijste aarduitwrijvingen: fijn vermalen aarde uitgestreken op papier, alsof het minimal art betreft. De aarde komt van over de gehele wereld, soms zelf verzameld, maar ook door vrienden meegebracht. Hier in Venetië vloeit De Vries’ eigen leefomgeving samen met sporen van leven in de lagune van Venetië. En dankzij die aarde is de rest van de wereld er ook vertegenwoordigd. De expositie is een kalme meditatie, waarin het natuurlijke glorieert, als een alomvattend begin- en eindpunt.

De Vries begon zijn carrière als plantkundige en biologisch onderzoeker. De Vries: “Maar het wetenschappelijke werk was me incompleet. Een van mijn allereerste publicaties was een separaatdruk van een wetenschappelijke publicatie over de verbreiding van kleine zoogdieren in de Nederlanden, muizen, spitsmuizen., ik vond dat het zo partieel was, en daarom heb ik de omslag van het tijdschrift omgedraaid en op de andere zijde getypt: ‘manifest van de gecastreerde werkelijkheid’. De wetenschap houdt een beperking in van onze werkelijkheidswaarneming. Daarom koos ik uiteindelijk voor de kunst.”

Dat is een opvallende keus. Hoe kwam u bij de kunst terecht, als alternatief?

“Ik kwam in die tijd in Amsterdam in het Stedelijk Museum. Kurt Schwitters was een van de kunstenaars die diepe indruk maakte. En tijdens werkzaamheden in het park de Hoge Veluwe, parkeerde ik mijn dienstbromfiets even achter de struiken, om als ik klaar was, nog even ongezien een uurtje door het Kröller Müllermuseum te dwalen.”

De kunst die hij zag inspireerde hem om stukjes uit de werkelijkheid te verzamelen: collages trouvés. Een afgescheurd stuk poster in 1956 gaf hij de titel ‘What is rubbish’? ik noemde het zo, omdat ik dat stuk afval een andere waardering wilde geven, en dat is het begin van een blik op de werkelijkheid geweest, als document van zichzelf.”

Zijn vroege werk ademt de systematiek van de wetenschapper: hij fotografeerde de voor onderzoek geordende verzamelingen, strak in het gelid. En andere kunstwerken liet hij ontstaan door het toeval de vorm te laten bepalen. In 1961 sloot hij zich aan bij de Nulgroep in Nederland en richtte het tijdschrift nul=0 op. Lang duurde deze samenwerking niet. Na wat aandringen: “Die nulmensen wilden zich graag afzetten tegen de kunstenaarsromantiek. Ze verschenen met hun zakenkoffertje, ordelijk gekleed, in stropdas op openingen. Maar goed, ik deed overdag veldwerk, dus ik droeg vaak sandalen, een pullover, een baard. Het is uiteindelijk onbelangrijk, een prachtige anekdote van kinderachtigheid, het stoorde me wel natuurlijk. In goed Hollands: lullig. Uiteindelijk zat ik dus niet meer bij Nul, maar sloot ik me aan bij de internationale Zerobeweging. Ik ben nog steeds een zerokunstenaar, ik laat zien wat er is, ik voeg er niets aan toe, ik doe niets met de natuur, er zijn mensen die werken met de natuur, ik laat alleen zien.”

En dat terwijl u in 1957, ruim voor Nul, al exposeerde in het Stedelijk Museum in een kleine tentoonstelling ‘Natuur en Kunst’.

“Dat was een kleine tentoonstelling die erg interessant voor me was, met objecten die ik gevonden had, die in proces waren, zoals dat nu ook geldt voor de verbrande boomstammen die ik nu tentoonstel. Vergankelijkheid hoort bij oneindigheid. Niks gaat verloren.” De verbrande boomstronken die nu in het paviljoen liggen komen uit het Steigerwald,nabij Eschenau waar De Vries in 1970 neerstreek. Ze zijn overblijfselen van de zonnewendevuren, ooit misschien een ritueel uit voorchristelijke tijden, maar nu vooral een sociaal samenzijn met bier en braadworst. Het lijkt alsof De Vries bewust verborgen geschiedenissen zijn werk laat insluipen, zonder er duidelijke uitspraken over te doen. Zo verzamelde hij in 2007 as van de locatie waar de laatste slachtoffer van de heksenjacht in de achttiende eeuw in Duitsland werd verbrand, om daar een aarduitwrijving mee te maken. Er zit in zijn werk een duidelijk element van kritiek, zonder uitgesproken kritisch te zijn. Zijn verzamelde schatten uit de natuur zijn mooi, maar ook een beschuldingsloze beschuldiging. Hoe zit dat met die arme vrouw? Heeft De Vries voelsprieten voor de underdog? De kunstenaar buigt voorover, en vertrouwt me toe: ik ben er zelf een geweest! Daar ben ik mooi van weggekomen”, grinnikt hij vanachter zijn baard. “Het heeft mij in het verleden geholpen te zijn wat ik nu ben, en wat ik nu aan anderen kan geven. Want kunst heeft altijd een sociale functie. Wat moeten we er anders mee?”

U spreekt ook expliciet de zintuigen aan?

De Vries: “ Waarom denk je dat die cirkel van rozenknopjes middenin het paviljoen ligt?”Het is het werk ‘rosa damascena’, 60 kilogram aan rozenknopjes. “Je kunt ze ruiken en gelijk zie je waar de geur vandaan komt. Dit is het, nothing happens next, in de woorden van de grote filosoof Janis Joplin. Je hoeft er niets aan toe te voegen. Ik laat zien, opdat je je eigen oordeel kunt vormen.” Hij heft zijn geopende handpalm: “dit is overigens een boeddhistisch teken dat ik maak. Als de boeddha onderricht gaf, gebaarde hij precies zo. Dat valt me net te binnen: ik geef een statement af.”

U richtte eerder al sanctuaria in waar de natuur welig kan tieren, je hebt de namen verzameld van bijvoorbeeld hallucinose planten, als om kennis die misschien dreigt verdwijnt, te behouden in uw kunst. Computers hebben niet uw interesse, maar via internet wordt bijvoorbeeld ook kennis behouden en verspreid. Is dat niet eigenlijk een goede zaak?

“Dat is een goed punt, ik kan dat niet bestrijden. ik ben nogal primitief, ik gebruik het niet, mijn vrouw en mijn assistentes werken er wel mee. Maar ik vind wel dat de hele virtuele wereld, die met hulp van computertechnieken is ontwikkeld, een derde klas werkelijkheid is. De natuur is de primaire werkelijkheid, onze cultuur is uit de natuur opgebouwd en is de tweede werkelijkheid. Het virtuele wordt uit onze cultuur ontwikkeld, maar heeft altijd nog een basis die uit de natuur stamt.”

“De mens is deel van de natuur, hij heeft ook werkelijkheid geschapen die nog steeds zonder de natuur uitkomt. Daarom kun je de mens niet veronachtzamen. Wat zou mijn werk voor zin hebben als ik op dingen wijs, als het niet voor de mensen bestemd was. Het is ook een les, hoe je waarneming gebruikt, je ogen, je neus, je smaak, je oren, je voeten en de wind op je huid.”

Toch is de tentoonstelling niet zomaar gevuld met vondsten uit de natuur. Er is sprake van een zekere esthetiek. Hoe beïnvloedt een tentoonstellingsruimte uw kunst?

De Vries: “Die esthetiek is altijd ter plekke aanwezig, ik toon deze slechts. Het Rietveldpaviljoen is net als een museum een mooie plek is waarin je zaken kunt isoleren, zodat ze op een andere manier worden waargenomen. Het museum geeft je de gelegenheid om dingen zichtbaar te maken. Beeldende kunst toont wat je met taal niet beschrijven kunt.”

Herman de Vries, to be all ways to be, Rietveldpaviljoen, Giardini. Meer informatie.

Een korte versie van dit interview is gepubliceerd in H ART # 142. H ART

Advertenties

Adrian Paci, Lives in Transit, Jeu de Paume

april 22, 2013 § Een reactie plaatsen

Adrian Paci, Lives in Transit, 26 februari t/m 12 mei, Jeu de Paume, 1, Place de La Concorde, Parijs (F). open dinsdag 11-21 uur. Woensdag t/m zondag: 11-19 u. www.jeudepaume.org. Tweetalige  catalogus. 160 pag. Uitgeven door Mousse Publishing, Montreal Museum of Contemporary Art en Jeu de Paume, € 35.

Het zuiltje ligt er zwaar, maar wat verloren bij aan de Place de la Concorde in Parijs. Daar stikt het van de klassieke architectuur. Maar dit Korinthische zuiltje is made in China, zoals alles tegenwoordig. De steen komt uit een Chinese groeve, waarna Chinese beeldhouwers, met hun bedrijfsnaam op hun rug,  vervolgens een zuil uithakken  in een vrachtboot met open ruim. Tijdens de reis naar Europa worden transport en productie efficiënt samengevoegd. Het is Paci’s meest recente werk, in opdracht van het Jeu de Paume waar zijn solo-expositie ‘Lives in Transit’ nu te zien is. Paci (Albanië, 1969) filmde het prachtig: de zwaarte van de steen als die neervalt, de hamers die wiggen in de steen drijven, het met marmergruis bepoederde gelaat van de meestersteenhouwer. Het schip stampt en rolt en ploegt door de golven.  Dit nieuwste werk ‘The Column’ maakte Paci voor zijn eerste solotentoonstelling in Frankrijk. En ook dit werk is een echte Paci: hij filmt gewone mensen op de huid. Maar hoe mooi dat ook is, het gaat vooral over globale trek, over hoe een niet bestaande klassieke Griekse zuil uit China de hele aarde oversteekt. De zuil is ontheemd, zoals zo veel van de mensen die hij in zijn video’s vastlegt.

Image

Paci in Parijs is beduidend lyrischer dan Paci in BAK, Utrecht in 2006. Op die tentoonstelling overheerste de documentaire aanpak, ging het vooral om verhalen van Albanese vluchtelingen, van zichzelf, van zijn eigen kinderen die voor de camera een verhaaltje vertelden.  Ergens diep ver weg weerklonk een gevoel van verloren onschuld. Een gevoel van ontheemdheid en onrechtvaardigheid overheerste daar. Zo niet in Parijs. Daar wint de betovering. Dat is niet vreemd, die hoort al net zo bij Paci als zijn concentratie op de mens en diens ontwapenende streven naar geluk en voorspoed. Paci vierde in 2005 tijdens de Biënnale van Venetië triomfen met zijn glimwormpjesvideo ‘Turn On’: hij filmde een handjevol mannen met doorgroefde koppen, gezeten op een tribune. Als de avond valt, starten ze een voor een hun door een generator aangedreven lamp op. Armoede moge die vorm van verlichting misschien aanjagen, maar Paci ving een hoopvolle, intiem soort schoonheid, niet in de laatste plaats dankzij zijn shots van doorgroefde koppen.

Net voordat het al te mooi wordt, klinkt zachtjes maar niet te negeren de grondtoon van al zijn werk: die mensen zijn op zoek naar een beter bestaan. Dat is een vrij tastbare realiteit in het Albanië waar de kunstenaar opgroeide en vanwaar hij zelf ook met zijn gezin in 1997 vertrok om een beter leven in Italië op te bouwen.  Dat streven moet welhaast ook  de drijfveer zijn van de mensen, die in ‘Centro di Permanenza Temporanea’ (2007) een vliegtuigtrap bestijgen, geduldig in een rij. De permanente tijdelijkheid uit de titel is een staat van bevroren flux. De trap leidt nergens toe. Terwijl in de verte vliegtuigen opstijgen, wachten de mensen op niets.  Feilloos legt Paci de gelatenheid op die doorgroefde, door de zon geteisterde gezichten vast. Pacis nowhere people zijn soms jong, soms oud. Soms zijn ze vrouw, meestal man.

De grondtoon is altijd politiek. In de film ‘Electric Blue’ praat een huisvader smakelijk over zijn activiteiten als lokale filmer, die bruiloften en begrafenissen filmt met zijn videocamera. Dan raadt een goede vriend hem aan porno te gaan kopiëren. Zo geschiedt, hij neemt banden op en leent ze uit aan de gretig naar lust verlangende mannen in zijn stad. Wel zestig tapes vol porno heeft hij, ooit verboden in Albanië, getapet van de Joegoslavische tv. Tot de oorlog in Kosovo begint. Dan tapet hij die, een dag, een week, een maand, jaren. Tot hij zestig tapes oorlogsbeelden heeft. Van seks naar dood en geweld, de stap lijkt slechts een kwestie van tijd. Porno en dood mixen op een onverwacht logische manier onder de handen van Paci.

Adrian Paci begon pas met  filmen nadat hij zich in Italië had gevestigd. Daarvoor schilderde hij, het liefst portretten. De schilderijen in  ‘Lives in Transit’ zijn nageschilderde filmstills uit films van Pasolini, of gebaseerd op foto’s van Albanese bruiloften. De doeken zijn statisch maar suggereren beweging, fragmentatie, een verhaal. Paci laat zien dat hij voorgoed in een filmer is veranderd. Gelukkig maar. Zijn wil om de eigen achtergrond als vertrekpunt te nemen, zonder dat het te letterlijk, te persoonlijk wordt, maken zijn films krachtig. Lokaal maar universeel. Werelds en dromerig tegelijk. Maar altijd met een intense waardering voor de kwetsbare mens.

Deze recensie verscheen in H ART # 110. http://www.kunsthart.org

Waar ben ik?

Je bekijkt nu de Contemporary Art categorie van Machteld Leij.